Geschiedenis
panorama geschiedenis
blauwdruifje

De geschiedenis van stinsenplanten en landgoederen

Stinsenplanten door de eeuwen heen

landhuis elswoutwat een stinsenplant is en hoe stinsenplanten in de geschiedenis in Nederland zijn gekomen, is al aangeduid in de introductie (te vinden onder de knop 'home'). hier volgt wat meer achtergrond informatie.

Toen de rijke adel na een periode van economische groei en welvaart, bloemen voor hun landgoederen gingen verzamelen, lieten ze die komen uit verre oorden. Vooral bolgewassen waren gemakkelijk over langere tijd en afstand te bewaren en te vervoeren. De kleurige planten verworven een status en landgoedeigenaren ruilden vaak soorten of deden ze elkaar cadeau. Rond de gouden eeuw was een bonte verzameling heel wat geld waard. De meeste stinsenplantensoorten zullen echter pas voet aan de Hollandse bodem hebben gekregen tussen het einde van de 18 en het begin van de 19e eeuw. Dat is na de intrede van de Engelse landschapsstijl. Over landschapsstijlen meer hieronder.

Landgoederen en hun inrichting

theehuis elswoutVeel landgoederen werden gesticht in de 17e eeuw. In de tweede helft van de 17e eeuw werden veel landgoederen en vooral de tuinen daarbij, ontworpen en ingericht in de Franse renaissance-stijl. Deze stijl had in de 16e eeuw zijn opkomst. Onder invloed van Italie kwam deze stijl in Frankrijk in de mode. En de Franse mode had in deze tijd veel invloed in Nederland. Bij toepassing op gebouwen hield dit vooral overdreven grote ornamenten in. Bij de aanleg en (her)inrichting van landgoederen, betekende de Franse stijl symmetrie en overzichtelijkheid. Lange rechte lanen, keurig nette gazonnen, symmetrische bloemenperkjes – rechthoekig of in een perfect ronde circel. De eigenaar moest zijn eigendom goed kunnen overzien en laten zien vanuit het landhuis. Goede voorbeelden hiervan zijn vaak te zien in de tuinen van Paleizen door verschillende Europese landen, waaronder het welbekende Paleis het Loo, in Apeldoorn.

De Engelse landschapsstijl

schilderij van een landgoedIn de tweede helft van de 18e eeuw kwam een meer natuurlijk ogende, landschappelijke aanleg steeds meer in de mode. Dit is de Engelse landschapsstijl. Met slingerpaden, hoogteverschillen, slingerende vijvers en afwisseling tussen open plekken en boompartijen werd de illusie van een oorspronkelijk, natuurlijk en ‘ruig’ landschap gecreëerd. Dit landschap werd door de opvattingen over natuur in die tijd als romantisch aangemerkt. Een van de natuurbeelden van de hedendaagse mens komt hieruit voort, het zogenaamde 'Arcadisch landschap'. Dit landschap moest verrassend en 'wild' zijn en dit deed men door bijvoorbeeld waterpartijen iets lager te leggen en de oevers vrij rond te laten aflopen. Zo kan het zijn dat je in eerste instantie slechts een gazon ziet, maar als men dichterbij komt, plotseling een waterloop opdoemt. Andere technieken zijn hoogteverschillen creeren om het landschap nog even aan het zicht te onttrekken en dichte (rododendron)bosjes te planten in de binnenbocht van een pad, zodat je pas na delandhuis van een landgoed bocht het landschap erachter kunt zien. Dit landschap is dan vaak heel anders gemaakt dan dat voor de bocht.

Het was ook belangrijk dat gasten en passanten konden zien dat de eigenaar erg rijk was en zijn landgoed groot. Om dit ten toon te spreiden, legde men de bomenlanen zo aan, dat de voorste boom in een laan het hoogst was en de achterste het laagst. De bomen er tussen in liepen in hoogte ietsje af. Deze manier van aanleggen werkt ‘perspectief-versterkend’. De laan lijkt dan langer dan hij in werkelijkheid is. Zo een laan is vaak de oprijlaan en/of loopt vanuit het landhuis.

Sporen van de geschiedenis

kettingbrugVeel landgoederen hebben een bijna volledige metamorfose ondergaan met de opkomst van de Engelse landschapsstijl en er zijn vaak maar weinig kenmerken van de Franse stijl te zien. Kenmerken van deze laatste kunnen zijn: toch nog een symmetrische tuin of perk en keurig bijgehouden heggen. Veel duidelijker zie je echter de karakteristieken van de Engelse landschapsstijl, zeker als het landgoed goed is onderhouden in originele staat. Doorkijkjes, slingerende paden en waterlopen, heuveltjes, een verrassend landschap achter een bocht, rododendrons en afwisselend open en gesloten landschap, kunnen karakteristieken zijn waaraan u de Engelse aanleg herkent.
Wat voor stinsenplanten de familie in de tuin had, kunt u met behulp van de zoekkaarten, die u onder de knop downloads kunt vinden, onderzoeken.

Namen in de stinsenplanten

De eerste die de term 'stinsenplanten' gebruikte, was de botanicus J. Botke in 1923, die toen al opmerkte dat deze bepaalde groep planten steeds bij stinsen en stinsachtige plaatsen te vinden waren. Hij had dit waarschijnlijk overgenomen van mensen die ze in de volksmond al zo noemden. Hoe lang men ze al zo noemde, is niet bekend. In 1969 en in 1979 publiceerden respectievelijk Hillegers en Londo & Leys invloedrijke werken over stinsenplanten. In de afgelopen decennia was het D.T.E. van der Ploeg, die zich verdiepte in stinsenplanten en verschillende boekjes schreef (o.a.) voor de KNNV. Van der Ploeg overleed vrij recent, in 2006. Hij bestudeerde de benamingen en definities van Hillegers en Londo en Leys en gaf hier kritische beargumenteerde noten aan. Hij stelde zelf ook benamingen voor groepen voor. Deze staan voornamelijk in één van de belangrijkste publicaties op het gebied van stinsenplanten, te weten 'Stinzenplanten in Nederland'. Helaas is deze moeilijk verkrijgbaar en er is waarschijnlijk alleen via-via aan te komen, bijvoorbeeld bij natuurverenigingen als de KNNV en bij antiquairs. Als u meer wilt weten over publicaties over stinsenplanten of als u verder wilt lezen, vind u tips onder de knop 'verder lezen'.

Naar boven